skip to Main Content

Transitie industrie vereist financiële prikkel

De zomer is voorbij en de tweede gespreksronde voor het Klimaatakkoord is in volle gang. Ook aan de industrietafel wordt in een goede sfeer keihard gewerkt om in december tot een goed akkoord te kunnen komen. Belangrijke onderwerpen aan die tafel zijn de transitiekosten voor de industrie en de concurrentiepositie van bedrijven. Kortom: hoe ga je om met het ‘level playing field’? VNPI-directeur Erik Klooster licht toe.

Media suggereren dat aan de industrietafel bedrijven en NGO’s lijnrecht tegenover elkaar staan waardoor de onderhandelingen over het Klimaatakkoord niet vlotten. Klopt dit beeld?

“Ik heb mij verbaasd over de soms wat hijgerige berichtgeving, want het sentiment aan de industrietafel is goed. Dat wil niet zeggen dat uit dit onderhandelingsproces straks iets rolt waar iedereen tevreden over is, want het is hartstikke moeilijk. En het resultaat kan ook zijn dat we er niet uitkomen, maar daar ga ik niet vanuit. Ik denk dat het goed is dat we tot een oplossing komen en met die instelling zit ik aan tafel. Want er kan in Nederland heel veel. We liggen hier als industrie geografisch buitengewoon goed gepositioneerd. Er zijn wereldwijd weinig plekken waar zoveel energie-intensieve industrie zo dicht bij elkaar zit. Met als voordeel dat je hier ook zowel veel offshore wind als lege gasvelden voor de deur hebt. Om een mooi voorbeeld te noemen: ik krijg zelfs belletjes van mijn Belgische collega met vragen over onze plannen voor CCS. Je kan je dus voorstellen dat als wij hier grootschalig aan CCS gaan doen, de Belgische industrie daar op termijn ook voordeel aan kan hebben.”

Het klinkt alsof er aan de industrietafel nog veel werk verzet moet worden, terwijl de tijd dringt.

“Voorop voor mij staat dat het glas halfvol is. Ik vind goed wat ik zie dat er aan die tafel gebeurt, de dynamiek en de plannen die naar voren komen. Het is ook goed dat er druk op staat. Maar we moeten ook realistisch zijn over de impact van waar we mee bezig zijn en het tempo waarin we die ontwikkelingen kunnen realiseren. Want het gaat wel over de verbouwing van het hele industriële huis. Wie denkt daar in zes maanden een compleet panklaar plan voor te maken, legt de lat te hoog. Sommigen doen dat. Wat ik probeer te zeggen, is dat er in december niet een plan ligt waarin tot achter de komma is uitgestippeld hoe we bij 49 procent minder CO2-uitstoot in 2030 komen. Het gaat allereerst om richting bepalen en zorgen voor de juiste prikkels. En dan gewoon beginnen binnen de trajecten die zijn uitgezet.”

Gaat het niet vooral over de kosten?

“De kern is dat de industriële transitie ongeveer 20 miljard euro kost voor de gehele industrie in Nederland en dat er een financiële prikkel moet komen op basis waarvan bedrijven investeringsbeslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld investeren in de overstap van gas naar elektrificatie van bedrijfsprocessen. Dat perspectief is er nu niet voor de industrie. Terwijl het investeringen betreft die in de regel niet rendabel zijn, maar die bij die internationaal opererende industriële bedrijven wel moeten concurreren met projecten elders in de wereld. Dus als we willen dat de transitie zich in Nederland voltrekt, dan moeten die investeringen hier voldoende rendabel zijn. Bij offshore wind zorgt de SDE+ regeling daarvoor, maar of de overheid voor transitie-projecten in de industrie met zo’n prikkel over de brug komt is nu nog volstrekt onduidelijk. Hoe zo’n regeling of tendersysteem eruit zou moeten zien, zijn we nu als partijen aan de industrietafel met elkaar aan het uitdokteren.”

Betaalt de industrie zelf mee aan de transitie?

“Ik begrijp heel goed dat als de overheid met zo’n regeling komt, er sprake zal moeten zijn van wederkerigheid en dat daar afspraken over moeten worden gemaakt. Zodat de kosten voor de overheid zo laag mogelijk blijven. Als bedrijven kunnen wij er dan dus voor zorgen dat we de kosten van die nieuwe technologieën naar beneden brengen, zoals dat bij offshore wind ook is gebeurd. Al staan transitietechnologieën in de industrie nog grotendeels in de kinderschoenen en weten we als bedrijven nu nog niet precies hoeveel ons dat gaat kosten.”

Om welke technologieën gaat het?

“CCS, elektrificatie, waterstof en energiebesparing. Dat zijn de technieken waarvan wij nu weten dat we het daar mee zouden kunnen doen. Belangrijk is wel dat de overheid niet bepaalt welke techniek het wordt en die alleen stimuleert, maar die keuze aan de markt overlaat en geld beschikbaar stelt voor innovatie.”

×Close search
Zoeken