skip to Main Content

Harro van de Rhee, nieuwe voorzitter VNPI:

‘Een goed vormgegeven klimaatwet is goed voor de industrie’

De Nederlandse petrochemische industrie heeft baat bij een Energieakkoord en een Klimaatwet. Die scheppen helderheid voor de toekomst, en de bijdrage die de sector kan leveren aan CO2-reductie en verduurzaming. Daarbij is het wel een voorwaarde om deze uitdagingen op Europese schaal te zien. Dit stelt Harro van de Rhee, de nieuwe voorzitter van de VNPI. Zijn missie: de mismatch tussen beeldvorming en praktijk aanpakken en zorgen dat de sector goed vertegenwoordigd aan tafel zit bij overheid en stakeholders.

De raffinagesector in Nederland staat er op dit moment goed voor, aldus de nieuwe voorzitter van de VNPI, Harro van de Rhee, tevens raffinaderijmanager bij Esso Nederland BV. “Zeker als je kijkt naar het internationale speelveld waarin we opereren, horen de Nederlandse raffinaderijen bij de modernste en meest energie-efficiënte raffinaderijen in heel Europa. Omdat de vraag naar brandstoffen en voedingsstoffen voor de chemische industrie nog vele tientallen jaren zal blijven bestaan, is het belangrijk om een gezonde en efficiënte raffinagesector in Nederland te behouden. Dat is meteen een van de doelstellingen van de VNPI: de sector op een positieve en constructieve manier vertegenwoordigen.”

In de hele wereld is een enorme vraag naar brandstoffen en voedingsstoffen voor de chemische industrie. “Het zijn de raffinaderijen die daarin voorzien. Wij hebben daarbij enorm veel voordeel van onze locatie in de haven van Rotterdam. Niet alleen kunnen hier de grootste schepen ter wereld aanmeren. We hebben hier bovendien te maken met een hele grote vraag vanuit Nederland, België en een groot deel van Duitsland en goede exportmogelijkheden naar andere Europese landen. Samen met het feit dat we in Rotterdam een heel geïntegreerd cluster hebben van raffinaderijen en chemische fabrieken, maakt dit dat er nog steeds veel wordt geïnvesteerd in onze raffinaderijen.”

Verduurzaming

Met het oog op de verduurzamingsopgave en terugdringing van CO2-uitstoot, ziet Van de Rhee de toekomst van de raffinagesector positief tegemoet. “In Europa zal nog vele tientallen jaren een grote vraag blijven bestaan naar chemische voedingsstoffen en brandstoffen als benzine en diesel. Gezien het klimaatdebat is het uitermate belangrijk dat je die producten produceert met heel efficiënte installaties, die zo min mogelijk CO2 uitstoten. De vijf Nederlandse raffinaderijen behoren in dat opzicht echt tot wereldtop. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat CO2-emissie een wereldwijd probleem is dat ook om een wereldwijde aanpak vraagt.”

Het is volgens Van de Rhee van belang om te beseffen dat het grote industriële cluster in de Rotterdamse haven er niet alleen staat voor Nederland, maar voor een heel groot deel ook voor Duitsland en andere Europese landen. “Het is dan ook enorm belangrijk dat we deze uitdaging op een Europese schaal zien. Een uitdaging die we samen met stakeholders en overheidspartijen zullen moeten aangaan. Op al onze complexen wordt al onderzocht hoe we nog energie-efficiënter kunnen produceren. Het kabinet heeft een heel ambitieuze doelstelling afgesproken voor 49% CO2-reductie in 2030, waarbij het eigenlijk naar 55% toe wil. De Nederlandse overheid heeft daarin een belangrijke rol; met haar ambitie moet zij nu ook bij andere Europese landen steun verkrijgen om die 49% of 55% te behalen. Wanneer alleen Nederland een reductie nastreeft zal het onwaarschijnlijk zijn om een gelijk speelveld voor de industrie te kunnen garanderen.”

Energieakkoord

In dat opzicht denkt Van de Rhee dat het Energieakkoord dat er in 2018 moet komen een goede manier is om hier samen met de overheid en andere betrokkenen afspraken over te maken. “De uitdaging is voor ons zó groot, dat daar andere, relevante partijen bij betrokken moeten zijn. Partijen die uiteindelijk de investeringen, de operationele kosten, moeten betalen en ook geconfronteerd zullen worden met de gevolgen. Dat moet een goed overleg worden waarbij iedereen het eens moet worden over de doelstellingen en de inspanningen.”

Daarnaast steunt Van de Rhee ook de plannen voor een klimaatwet. Deze geeft volgens hem meer zekerheid voor bedrijven om ook eventueel grotere investeringen te doen dan een convenant. “Zo’n klimaatwet moet natuurlijk wel gestoeld zijn op een competitief, fair speelveld voor de industrie in Nederland. Ik vind het dan ook positief dat het kabinet heeft besloten om een minister voor Klimaat én Economische Zaken aan te stellen. Want die twee kan je gewoon niet los van elkaar zien.”

Als voorzitter wil Van de Rhee nauw samenwerken met en een klankbord zijn voor de VNPI-directeur, Erik Klooster. “Ik streef naar een positieve positionering van onze sector in Nederland. De VNPI is een belangrijk overlegorgaan. Juist om te benadrukken dat dit een industrie is die op internationaal vlak relevant is. Daarnaast is het van belang dat iedereen zich beseft dat het hier gaat om miljardeninvesteringen. En om technologieën die zich deels nog in het laboratoriumstadium bevinden. Als we echt die scherpe doelstellingen willen halen, is dat naar onze mening niet mogelijk zonder CCS (carbon capture and storage, red.).”

Incentive-systeem

Al kan volgens Van de Rhee CCS alleen geen wonderen verrichten. “Het potentieel van CCS is er wel degelijk, maar 18 Megaton in 2030 is niet haalbaar. Waar de overheid heel hard aan moet werken, is het creëren van een positief incentive-systeem. Dat zou kunnen via een uitbereiding van ETS of een soort CO2-taks. Dat moet dan wel op Europees vlak. Hiervoor hebben we de overheid nodig. Zij kan infrastructuur en partijen over de drempel helpen, met behulp van subsidies. De doelstelling die we hebben is inmiddels echter zo groot dat we ook hard moeten werken aan een betrouwbaar en duidelijk incentive-systeem. Met alleen subsidies gaan we dit niet allemaal voor elkaar krijgen.”

×Close search
Zoeken