skip to Main Content

Een waardig slotstuk

Nog een paar maanden en dan ligt de CO2-heffingswet voor de industrie in de Tweede Kamer. Daarmee komt dan een eind aan een lang proces van tafelen, media-aandacht en politieke interventies rondom het industriedeel van het klimaatakkoord. Voor wie daar nu al verdrietig over wordt, vrees niet. Het belooft een waardig slotstuk te worden.

De voortekenen zijn ernaar. Eerst (in maart) zou de heffing uitgesteld worden wegens corona. De industrie komt er (weer eens) veel te gemakkelijk vanaf, aldus de teneur in dagbladen en bij Nieuwsuur. Een aantal partijen gaf bij Nieuwsuur aan dat deze heffing de reden was dat ze waren toegetreden tot het klimaatakkoord. Onvermeld bleef dat de ene partij al lang en breed uit het klimaatakkoord was gestapt. De andere partij, die uitgebreid haar beklag mocht doen over de gang van zaken, heb ik nog nooit aan een onderhandeling zien deelnemen. Het maakt vast een mooi item, maar in mijn ogen geeft het geen blijk van inzicht in het onderwerp.

Toen de wet (eind april) toch volgens oorspronkelijke planning in consultatie ging, bleek dat het ministerie de heffing in de eerste twee jaar maar heel beperkt laat werken. Dit is mede als gevolg van de coronacrisis; die reden is de enige die resoneerde in de media. Maar er zijn meer redenen voor minister Wiebes om de heffing rustig te laten starten. Zo zijn de nieuwe Europese benchmarks voor goed presterende bedrijven in het ETS – de grondslag voor de Nederlandse heffing – überhaupt nog niet beschikbaar. Die nieuwe Europese benchmarks zijn er pas einde van dit jaar. En heeft Corona meer implicaties dan alleen de economische. De heffingswet baseert zich op een ‘normaal’ productieniveau. Door de coronamaatregelen is er geen ‘normaal’ meer en valt de bodem onder vaststelling van de hoogte van de heffing weg. Dat heeft helaas de berichtgeving allemaal niet gehaald. Al deze gegevens zijn eigenlijk wel nodig om in te schatten wat het effect van de Nederlandse heffing is op de industrie. Dat we toch doorgaan, heeft natuurlijk te maken met de politieke balans die het klimaatakkoord belichaamt.

Het is lastig om aan het grote publiek nog precies uit te leggen hoe de heffing tot stand is gekomen, waarom we voor deze grondslag kiezen en welk effect de heffing precies gaat hebben. Ik kan de bezwaren – of suggesties – van de industrie ten aanzien van de Nederlandse heffing niet in snedige oneliners formuleren. Het vereist veel context en veel nuance.

Als dan bovendien een partij als de Nederlandse Bank (DNB) zich in de discussie mengt en aangeeft “dat de Nederlandse economie een nationale heffing makkelijk kan hebben”, dan is het logisch dat de argumenten die de industrie al tijden naar voren brengt met enige scepsis worden ontvangen.

Maar ja, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Er zijn namelijk twee belangrijke aspecten die tot op heden in het openlijke debat maar weinig aandacht krijgen. Ook niet in de reacties van de verschillende economen die we hebben gezien in het debat. En ik zal het maar eerlijk zeggen: dat stoort me, want ze zijn wel relevant voor de beoordeling van de heffing. Dat zijn in mijn ogen:

  1. Veel van de bedrijven in Nederland hebben helemaal geen economisch haalbare opties. Die economisch haalbare opties zitten maar bij een handvol bedrijven. Zonder economische haalbare opties, leidt een heffing niet tot CO2-reductie.
  2. Die haalbaarheid luistert nauw. Veel van de bedrijven zijn zeer energie-intensief en bovendien actief in een internationaal concurrerende markt. Dat betekent dat ze een lage marge per ton uitgestoten CO2 hebben.

Deze twee argumenten leiden ertoe dat het opleggen van een heffing van bijvoorbeeld 50 euro, zoals de DNB eerder beargumenteerde, niet zal resulteren in investeringen van de Nederlandse industrie. Plat gezegd: een marge (marge is geen winst) van pak hem beet 25 euro per ton en reductie-opties van meer dan 500 euro per ton leiden er niet toe dat een heffing effectieve CO2-reductie op gaat leveren. Een dergelijke heffing leidt tot kostenbesparingen om na betaling van de heffing nog enige marge te houden. Het is een dalende spiraal van knijpen, korten, die leidt tot een verschraling van de Nederlandse industrie. Industrie verdwijnt bij een onguur investeringsklimaat niet met een big bang, zoals de V&D, maar het is een sluipend proces van decennia, waarin de investeringen die al gedaan zijn zoveel mogelijk worden uitgewrongen. Maar de investeringen die we over de afgelopen periode hebben gezien, zullen met een CO2-heffing in deze vorm eerder naar andere regio’s zoals Antwerpen en Duitsland gaan.

Daar is DNB het opvallend genoeg mee eens. DNB argumenteert alleen dat de Nederlandse economie dat prima kan hebben. Dit is een oordeel dat veronderstelt dat we het eventueel zonder de basisindustrie zouden redden. De recente brief van Wiebes over diezelfde basisindustrie deelt die insteek niet.

Het invoeren van een heffing is een delicate balanceer-act tussen de marges per ton CO2 van een industrie, de kosten van de reductie-opties die er zijn, een subsidie-instrument en de hoogte van heffing. En juist dat beeld ontbreekt op dit moment. Vanuit de industrie wordt er met smart uitgekeken naar het onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie om dat beeld helder te krijgen; de speelveldtoets. Hopelijk wordt dat onderzoek snel gepubliceerd en betrokken in het debat. Als het ministerie deze speelveldtoets al op haar bureau heeft liggen, zou hij zo snel mogelijk aan de Tweede Kamer gestuurd moeten worden om deze belangrijke studie onderdeel te laten zijn van de uiteindelijke beslissing.

Terug naar het politieke. Er is een compromis gesloten en mijn inschatting is dat daaraan zal worden vastgehouden. Wie de reacties op de consultatie heeft gelezen, kan het debat in de Tweede Kamer redelijk uittekenen. De (groene) oppositie is kritisch en vindt dat de heffing hoger moet. Vanuit andere hoek is er een roep om de heffing meer in lijn met Europa te brengen. Mijn inschatting is dat de Minister zal aangeven dat hij met deze heffing het redelijk alternatief belichaamt. Wiebes kan het voorstel zonder al te veel problemen door de Tweede kamer heen krijgen.

Maar dat is niet zo in de Eerste Kamer. Als ik daar de fracties tel, is het niet vanzelfsprekend dat er een meerderheid is voor het komende wetsvoorstel. Meest logische variant zou zijn om op voorhand de steun van de PvdA zeker te stellen. Maar gegeven hun eerdere stellingname in dit onderwerp vereist die steun ook nog wel wat politieke behendigheid. Zonder de PvdA durf ik eigenlijk geen uitkomst op voorhand te voorspellen. Dan is een meerderheid afhankelijk van partijen als groep Otten, OSF en 50 plus. Zegt u het maar hoe die in dit onderwerp staan. Sommige senatoren kijken iets minder naar de politiek en snappen dat Nederland ergens geld moet verdienen om de coronacrisis te kunnen betalen.

Na 2,5 jaar gepraat in de polder en besluitvorming in de cockpit legt de regering het uiteindelijke lot van de CO2-heffing in de handen van de oppositiepartij PvdA. Ook dat past misschien wel in de deze episode. Ik voorspel u een passend slotstuk.

×Close search
Zoeken