biobrandstof
CO2 reductie
verduurzaming

Een waardevolle verkenning van de mogelijkheden om de petrochemische industrie in het algemeen en de raffinage sector in het bijzonder van een nieuw bestaansrecht te voorzien. Zo omschrijft directeur Coby van der Linde van het Clingendael International Energy Programme (CIEP) het rapport ‘Het potentieel van Low Carbon Liquid Fuels (LCLF’s) in de Nederlandse raffinage in 2050’, dat in opdracht van de VNPI is opgesteld door bureau Enersangi.

Via de productie van LCLF’s kunnen Nederlandse raffinaderijen volgens hoofdauteur Mieke Dams de decarbonisatie faciliteren van transportsectoren waarvoor elektrificatie moeilijk is, zoals de scheepvaart en de luchtvaart. Ze denkt daarbij vooral aan ‘tweede generatie’ biodiesel en biokerosine, die gemaakt zijn van afvalresten, hout, stro en andere gewassen die niet interessant zijn voor de voedingsmiddelenindustrie. “Tijdens de transitieperiode naar 2050 bieden vloeibare biobrandstoffen daarnaast grote kansen voor het zware internationale vrachtverkeer op de weg”, aldus Dams. Nieuw bestaansrecht voor zichzelf creërend, heeft de Nederlandse raffinagesector volgens haar uitstekende papieren om binnen Europa een grote rol te gaan spelen bij de productie en distributie van LCLF’s, door haar omschreven “als duurzame brandstoffen die zowel bij de productie als bij het verbruik gepaard gaan met weinig CO2-emissie”. Daarnaast zijn er ook gasvormige en vloeibare varianten, waaronder e-brandstoffen die worden geproduceerd met duurzaam opgewekte stroom en CO2 die uit de lucht of fabrieksschoorstenen wordt gewonnen. “De ligging vlakbij wereldhaven Rotterdam en de Noordzee met zijn vele windparken is zeer gunstig. Er hangt wel een prijskaartje aan de transitie naar LCLF’s: 20 tot 65 miljard euro voor de aanpassing van de huidige processen en de ontwikkeling van nieuwe processen en 76 miljard euro voor de productie van voldoende hernieuwbare elektriciteit en groene waterstof.”

Waardevolle verkenning

Volgens directeur Van der Linde van het CIEP is het rapport illustratief voor de ommezwaai die de industrie de laatste jaren maakt. “Dit is geen preken voor eigen parochie of een poging tot levensduurverlenging, zoals je die voorheen vaak zag, maar een waardevolle verkenning van de mogelijkheden om de petrochemische industrie in het algemeen en de raffinagesector in het bijzonder van een nieuw bestaansrecht te voorzien. Belangrijk, want veel mensen realiseren zich niet hoe groot die sector is. Door Nederland gaat nog steeds een enorme oliestroom, die door raffinaderijen in goede banen wordt geleid, deels richting sectoren die lastig te ‘ontkoolstoffen’ zijn, zoals de scheepvaart en de luchtvaart. Deze verkenning laat zien dat er binnen de energietransitie, naast de duurzame opwekking van elektriciteit en elektrolyse, nog andere routes zijn. Wat het verhaal sterk maakt, is dat kapitaalvernietiging wordt voorkomen, door gebruik te blijven maken van de bestaande logistieke infrastructuur én de internationale vrachtwagenvloot.”
Van der Linde heeft weinig op met sceptici die blijven volharden in hun mening dat de petrochemische industrie zijn langste tijd heeft gehad. “Ik ben echt onder de indruk van de nieuwe energie waar de laatste jaren sprake van is. We hebben nog een hele lange weg te gaan en er moeten nog heel veel technische, wettelijke en logistieke knopen worden doorgehakt, maar met rapporten als dit laat de raffinagesector zien dat het geen deel van het probleem meer wil zijn maar deel van de oplossing. Daarbij wordt een prijzenswaardige poging gedaan om toekomstige kip/ei-problemen te voorkomen, door nu al in kaart te brengen met welke nieuwe duurzame brandstofstromen raffinaderijen hun afnemers willen en kunnen helpen om ook hun CO2-emissie te minimaliseren.”

Integrale beleidsvisie

Dams benadrukte dat de raffinagesector zo snel mogelijk moet beginnen met co-processing van duurzame biomassa grondstoffen, zoals gebruikte frituurolie. “Het ideale scenario is dat de productie van fossiele brandstoffen gedurende de transitieperiode tot 2050 steeds meer plaats zal maken voor de productie van tweede generatie biobrandstoffen en e-brandstoffen. Het mooie is dat sommige LCLF-technologieën al bijna competitief zijn. Anderen, zoals pyrolyse, vergassing van houtige biomassa en directe CO2-afvang uit de lucht, zijn nog niet marktrijp maar wel veelbelovend.”
Van de overheid is volgens Dams in de eerste plaats de erkenning nodig dat LCLF’s noodzakelijk zijn om de transitie in de transportsector mogelijk te maken. “In het verlengde daarvan moet er een integrale beleidsvisie komen, die waarborgt dat er voor de scheepvaart en de luchtvaart onder andere voldoende duurzame biomassa en voldoende afgevangen CO2 beschikbaar zal zijn. De raffinagesector moet daarnaast zeker weten dat de voorzieningszekerheid van voldoende duurzame energie altijd gewaarborgd is, ook bij langere perioden van weinig zon en weinig wind.”

Uitgaande van het doelscenario van een wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging van 1,5 °C in 2050, schat de onderzoekster dat Nederlandse raffinaderijen in staat moeten zijn om dan 13,6 Mt/j aan LCLF’s te produceren voor met name de scheepvaart en de luchtvaart. Die productie zou gepaard gaan met een reductie van de CO2-uitstoot met 35 Mt/j tot 44 Mt/j (bij directe afvang uit de lucht).

Meer weten? Neem contact op.

VNPI Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief