Industrie
Tweede Kamer
Veiligheidscultuur

Aan hoeveel warmtestraling mag een brandweerman blootgesteld worden bij een brand in een op- of overslagsituatie van brandbare vloeistoffen? Onafhankelijk onderzoek naar deze zogenoemde ‘warmtestralingscontouren’ leverde nieuwe normen op, die het ministerie van SZW echter naast zich neerlegt.

Als niet de juiste normen worden gehanteerd, kan dat een snelle respons door uitvoerend personeel onmogelijk maken. Daardoor ontstaat onnodige escalatie van een brandscenario. Dat stelt Roger Slegt, PGS-29 industrievertegenwoordiger en voormalig lead safety Engineer bij ExxonMobil. “Bovendien kan het de Nederlandse petrochemische industrie dwingen tot forse investeringen, zonder dat er enige veiligheidswinst wordt behaald.”

Kortdurende blootstelling

Alleen het Rotterdamse haven- en industriegebied telt al 140 tankputten met bij elkaar circa 5.000 opslagtanks voor (petro)chemische stoffen. De kans op een brand in een tank is minimaal, maar kan nooit helemaal worden uitgesloten. “Daarom is het goed dat overheid en bedrijfsleven samen richtlijnen hebben opgesteld voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks”, vindt Slegt. “Deze zogenoemde ‘Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 29’ bevat normen voor personen die tijdens het bestrijden van een brand aan warmtestraling worden blootgesteld: 1,0 kW/m2 voor iemand in een werkpak en 3,0 kW/m2 voor iemand in een brandweerpak. Deze normen zijn echter gebaseerd op langdurige blootstelling aan warmte, terwijl het bij een brand in een tank of een tankput om kortdurende blootstelling – tot vijf minuten – gaat. Bijvoorbeeld tijdens het aankoppelen van een brandslang of het activeren van een brandmonitor.”

Onderzoek in de Verenigde Staten leverde volgens Slegt nieuwe veiligheidsnormen voor kortdurende warmteblootstellling op: 4,6 kW/m2 voor brandbestrijders in een brandweerpak en 1,5 kW/m2 voor brandbestrijders in een werkpak. Bij die norm is er volgens Slegt bij kortdurende blootstelling nog bij lange na geen sprake van brandwonden. “Aanvankelijk werd de norm van 1,5 kW/m2 ook door SZW ruimschoots veilig geacht. Later kwam het ministerie hier echter op terug en stond erop de oude norm van 1,0 kW/m2 te handhaven, die gebaseerd is op langdurige blootstelling. Ter vergelijking: 1,0 kW/m2 is vergelijkbaar met een heel warme dag op het strand.”

Negeren onderzoeksresultaten

Na overleg in de PGS-29-commissie  gingen alle partijen, inclusief de SZW-vertegenwoordiging, akkoord met nieuw onderzoek in opdracht van de PGS-commissie. Dat onderzoek werd uitgevoerd door het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) en bekostigd door het bedrijfsleven en de onafhankelijke Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). “Met dit onafhankelijke onderzoek loopt Nederland voorop in de wereld,” verzekert Slegt. “Nooit eerder is met echte brandbestrijders onderzocht aan welke maximale warmtestraling zij in een werkpak kortdurend kunnen worden blootgesteld.” Het IFV-onderzoek leverde een nieuwe norm op, afhankelijk van de blootstellingsduur: van 1,5 kW/m2 bij vijf minuten tot 2,0 kW/m2 bij drie minuten. Slegt: “Ondanks dat het SZW vooraf had ingestemd met dit onafhankelijke onderzoek, legde het ministerie de resultaten naast zich neer en blokkeerde daarmee de opname van de nieuwe normen in de PGS. Naar aanleiding van de beslissing van SZW besloten de andere overheden – omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s –  namelijk ook af te wijken van de eerdere afspraak om de uitkomsten van het onderzoek over te nemen.”

Beperking brandrespons

Vasthouden aan de oude norm van 1,0 kW/m2 beperkt de huidige brandpreventie en -bestrijding met behulp van brandmonitoren en mobiele blusteams en jaagt de industrie op onnodige kosten, zegt  Slegt. “De norm die SZW wil handhaven beperkt brandbestrijding door first responders, de operators in werkpak, of maakt dit zelfs onmogelijk. Dit leidt tot wettelijke verplichtingen om bedieningspunten van monitoren, sprinklers en dergelijke op afstand bedienbaar te maken en te verplaatsen. Aangezien er op petrochemische bedrijfsterreinen een grote hoeveelheid aan dergelijke bedieningspunten is, zou dit tot enorme investeringen kunnen leiden.”

Volgens Slegt is er op dit specifieke gebied geen EU-beleid. “In de ons omringende landen speelt dit issue niet in de handhaving. De normen die daar gelden zijn hoger, bijvoorbeeld 1,4 kW/m2 (NISTIR 6546, safe limit (ASD: Acceptable Separation Distance) of 1,6 kW/m2 (EIGA Doc 211/17) voor onbepaalde tijd. Door de lat in Nederland zo hoog te leggen, ontstaan onnodige kosten die  in Nederland gevestigde petrochemische bedrijven benadelen.”

Blokkering PGS nieuwe stijl

In het verleden heeft de PGS volgens Slegt zijn waarde bewezen als ‘gezamenlijk opgestelde richtlijnen van industrie en overheden voor bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren, transporteren, opslaan of gebruiken én voor overheden die zijn belast met de vergunningverlening en het toezicht op deze bedrijven’. “Met het negeren van afspraken en relevante onderzoeksresultaten, wordt dit proces onderuit gehaald en wordt het risico-gebaseerde principe van de ‘PGS nieuwe stijl’ niet gevolgd.”

Bedrijven die de door SZW opgelegde norm willen aankaarten om grote investeringen te voorkomen, lijken juridisch sterk te staan. “De door ons bepleite verruiming van de norm tot 1,5 kW/m2 is uit het oogpunt van arbeidsveiligheid absoluut verantwoord en gebaseerd op zeer gedegen, onafhankelijk onderzoek. Dit in tegenstelling tot de niet onderbouwde norm van SZW”, aldus Slegt.

Meer weten? Neem contact op.

VNPI Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief