In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen bleek CO2-afvang en -opslag (CCS) voor te komen in de energieparagraaf van vrijwel alle politieke partijen. Nu de kaarten zijn geschud en de formatie is begonnen, hoopt hoogleraar Heleen de Coninck vooral dat er in Nederland eindelijk werk wordt gemaakt van systeemtransities. “En van echte betrokkenheid van omwonenden bij de industrietransitie.”

 

De Coninck is hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven en ook verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze was een van de hoofdauteurs van het tussentijdse rapport ‘Global Warming of 1,5 °C (SR15)’ van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Als onderzoeker houdt ze zich al twintig jaar bezig met de afvang en opslag van CO2, maar zelf is ze de eerste om de rol van die technologie te nuanceren. “De afvang, opslag en hergebruik van CO2 biedt zeker kansen, bijvoorbeeld voor de petrochemische industrie, maar het is geen wondermiddel. Behalve voor waterstofproductie zie ik in de petrochemie nog weinig ontwikkelingen.”

Blauwe of groene waterstof?

Eerder was er veel scepsis over CCS, vooral bij groene partijen, maar in de partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen komt het volgens De Coninck voor in veel energieparagrafen. “Ook in die van groene partijen. Maar de hamvraag is wat voor soort beleid je nodig hebt. In ieder geval een mix: zoals er geen wonder-klimaattechnologie is, bestaat er ook  geen wonderbeleidsinstrument.”

De Coninck is gecharmeerd van het plan voor ‘carbon takeback obligation (CBTO)’ dat is gelanceerd door Margriet Kuijper (ex-Shell). “Het verplicht producenten van fossiele brandstoffen om evenveel koolstof onder de grond te stoppen als ze eruit halen. ‘De vervuiler ruimt op’ dus in plaats van ‘de vervuiler betaalt’. Dat is een transformatiever instrument dan alleen beprijzing van CO2, waar door de vorige regering vol op is ingezet en dat overigens ook nodig blijft.”

Een CO2-heffing draagt volgens De Coninck pas bij aan de systeemverandering die in haar ogen nodig is, als CO2-uitstoot zo duur wordt gemaakt dat het begint te piepen en te kraken in de industrie. “Dat is nu niet het geval en het lijkt me niet realistisch dat dergelijke prijzen er komen. De ervaring leert immers dat in het nauw gedreven bedrijven zullen proberen om die druk te verminderen. Daar is de industrie in het verleden erg succesvol in geweest. Net als compensatie elders, biedt alleen CO2-beprijzing als instrument bedrijven de mogelijkheid om nog lang deels op de oude voet door te gaan.”

Eerlijke transitie

Te lang, is de stellige overtuiging van De Coninck. “Als ik naar de duurzaamheidsambities van bedrijven als Shell en BP kijk, zie ik vooruitgang maar het gaat niet snel en niet ver genoeg. Er wordt te veel vertrouwd op compensatie met negatieve emissies. Die CO2-verwijdering is nodig om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5°C, maar het mondiale potentieel is zo beperkt en de onzekerheden zijn zo groot, dat we niet de luxe hebben om er nu al op te rekenen voor het compenseren van uitstelgedrag.  We hebben systeemveranderingen nodig om de CO2-uitstoot te reduceren tot nul en die systeemveranderingen dulden geen uitstel, ook niet bij de industrie.”

Het Klimaatakkoord was in 2019 in dat verband volgens De Coninck een mooi begin. “Maar als je inzoomt is het in de eerste plaats een hele lange lijst maatregelen en een poging om te regelen wie wat gaat betalen. De energietransitie moet eerlijk zijn, anders kom je er niet. Het gaat ook niet alleen over kosten en baten, maar ook over procedurele rechtvaardigheid en het erkennen van het gevoel van verlies bij grote veranderingen.”

Inherent aan de systeemverandering die de klimaatwetenschapper voor ogen heeft, is bovendien een ‘nationale industriepolitiek’. “Aan de discussie over CCS, CBTO en waterstof hoort de discussie vooraf te gaan wat voor industrie we in Nederland willen, in de wetenschap dat de vestigingsvoorwaarden structureel gaan veranderen. Dat moet nationaal, maar ook op het niveau van industrieclusters gebeuren. Daar hebben we er in Nederland vijf van. Een vrij overzichtelijk rijtje dus. Voor alles moet worden voorkomen dat die fundamentele, strategische discussie een-tweetje tussen overheid en bedrijfsleven wordt. Ook burgers in het algemeen en omwonenden van industriële complexen in het bijzonder moeten er nadrukkelijk bij worden betrokken.”

Pseudo-inspraak

Dat laatste is volgens De Coninck te lang niet gebeurd. “Ik kan meer voorbeelden noemen, Tata Steel bijvoorbeeld, maar het afgelaste CCS-project in Barendrecht maakt goed duidelijk wat er mis kan gaan als je omwonenden te lang in het ongewisse houdt of pseudo-inspraak biedt. Dat laatste is nog schadelijker dan helemaal geen inspraak.”

Wat De Coninck betreft gaan bedrijven die deel uit willen maken van de toekomstige industrie in Nederland, nu met omwonenden in gesprek. “Betrek ze serieus bij de strategische plannen om overlast te minimaliseren en de CO2-uitstoot naar nul te brengen. Dus niet pas als je van de milieueffectrapportage voor een CO2-pijpleiding een consultatie moet doen, want dan stel je mensen voor een voldongen feit.”

Het mooie is volgens haar dat het mes aan twee kanten snijdt bij vroegtijdige, serieuze betrokkenheid. “Als industrie legitimeer je je eigen voortbestaan en de kans is groter dat je draagvlak vindt voor een industriële transitie die ook in financieel opzicht eerlijk is voor alle betrokken partijen. Maar bovenal neem je als industrieel bedrijf verantwoordelijkheid voor zowel de samenleving als de planeet.”

Meer weten? Neem contact op.

VNPI Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief