biobrandstof
Internationale speelveld
Klimaatbeleid

Vijf Europese lidstaten gaan samen aan de slag voor beter toezicht op de productie en inzet van biobrandstof. Nu de sector groeit is dat noodzakelijk om de duurzaamheid van biobrandstof te borgen. Een coalitie van België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en Nederland constateert dat Europese samenwerking daarvoor nodig is. De landen hebben de eurocommissarissen Frans Timmermans (Klimaat) en Kadri Simson (Energie) daarom onlangs opgeroepen om snel werk te maken van beter toezicht en handhaving op Europees niveau.

Biobrandstoffen worden gemaakt van materialen van plantaardige of dierlijke oorsprong. Doordat de koolstof in deze materialen recent uit de atmosfeer is opgenomen, dragen deze brandstoffen bij verbranding niet extra bij aan het broeikaseffect. Biobrandstoffen zijn binnen Europa nodig om de omslag te kunnen maken naar volledig emissieloos zwaar wegvervoer, binnenvaart, luchtvaart, zeevaart en personenvervoer in 2050. Voorwaarde is volgens toenmalig staatssecretaris Stientje van Veldhoven dat de duurzaamheid van de biobrandstoffen gegarandeerd is. “De markt groeit, dus moet het toezicht meegroeien. Dat is belangrijk. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de investeringszekerheid van bedrijven in de sector. We slaan nu de handen ineen, want we kunnen dit niet zonder Europese samenwerking.”

Grensoverschrijdende fraude

Volgens Sander van der Pot, als coördinator Toezicht en Handhaving in dienst van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), bestaat momenteel 6 à 7% van de brandstoffen die aan het wegverkeer worden geleverd uit biobrandstoffen. “Maar dat is een conservatieve schatting, het is maar net hoe je het berekent. In de systematiek die de NEa uitvoert mogen ook andere bronnen van hernieuwbare energie meetellen, zoals hernieuwbare elektriciteit, en ook leveringen aan andere modaliteiten zoals luchtvaart en zeevaart. Bovendien mogen onder voorwaarden de brandstoffen die geproduceerd zijn uit afval dubbel meetellen. Hierdoor bestond in 2020 administratief ruim 16% van de brandstof uit hernieuwbare energie, een percentage dat al jaren gestaag oploopt. In 2020 werd ongeveer 36 PetaJoule (PJ) aan hernieuwbare energie geleverd aan de markt, waarvan verreweg het meeste uit biobrandstof bestond. Op basis van Europese regelgeving en afspraken in het Klimaatakkoord zal dit stijgen tot zo’n 65 PJ.”
De roep om beter toezicht door de vijf Europese lidstaten vloeit niet alleen voort uit de groeiende markt, maar is ook een reactie op het aan het licht komen van ‘grensoverschrijdende fraude’ vanuit Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk. Van der Pot: “De keten is complex en grensoverschrijdend. Denk aan grondstoffen die uit het buitenland komen of biobrandstof die buiten Nederland wordt geproduceerd. Daarbij worden op verschillende momenten partijen grondstoffen en (tussen)producten samengevoegd of gesplitst en wordt er gebruik gemaakt van verschillende systemen voor de beoordeling van duurzaamheid van biobrandstoffen. Dit alles zorgt voor vele momenten waarop, al dan niet bewust, fouten kunnen worden gemaakt.”

Robuustere systematiek

Het beperkte toezicht op de complexe keten wordt verder bemoeilijkt door vigerende wetgeving als de Europese Richtlijn hernieuwbare energie (RED), de afvalstoffenwetgeving en wetgeving op het gebied van dierlijke bijproducten die niet altijd naadloos op elkaar aansluit. “In de herziene Europese Richtlijn hernieuwbare energie (RED2) zijn al maatregelen genomen die de systematiek robuuster maken”, legt Van der Pot uit. “Daarnaast is in de RED2 een Uniedatabank aangekondigd die het volgen van biobrandstoffen mogelijk moet maken en waarmee de transparantie in de biobrandstofketen wordt vergroot.”
Door een wijziging van de Wet milieubeheer eerder dit jaar, waarbij tevens de RED2 in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd, kan de NEa vanaf 1 januari 2022 veel meer werk maken van haar toezichthoudende rol binnen de biobrandstofketen. Van der Pot: “Speciale aandacht gaat daarbij uit naar biobrandstoffabrikanten. Bij deze schakel in de keten kan de NEa controleren wat de aard en de hoeveelheid ontvangen grondstof voor de biobrandstof was, of een goede verhouding tussen de gebruikte grondstof en de vervaardigde biobrandstof bestaat en wat de geleverde hoeveelheid biobrandstof per afnemer was. De NEa verkrijgt de bevoegdheid om te controleren of de schakel, eenmaal gecertificeerd, ook volgens de erkende systematiek handelt.”

Verbeteren en uniformeren
Naast de versterking van de Europese wetgeving die de lidstaten een stevigere basis moet geven om privaat én publiek toezicht op de biobrandstofketen te verbeteren en te uniformeren, is volgens de toenmalig staatssecretaris ook samenwerking tussen Europese landen cruciaal om fraude te voorkomen, bijvoorbeeld bij de onderlinge uitwisseling van signalen en werkwijzen en bij de afstemming van het toezicht op de biobrandstofketen. Van der Pot: “Fraude wordt ook door de sector zelf als zeer ongewenst ervaren, omdat het een aanzienlijk risico vormt voor de maatschappelijke acceptatie van biobrandstoffen. Daarnaast verstoort fraude het level playing field tussen de marktpartijen die zich aan de regels houden en degenen die frauderen.”

Meer weten? Neem contact op.

VNPI Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief